moei
pie
bei
boeen
pram
pram moei
prampie/ prampul
pram bei
pram boeen
dap
dap moei
dap pie
dap bei
mepeei
mepeei moei
saamsap
saaisap
haasap
hoksap
tsjetsap
petsap
kauwsap
moei roi / m'roi
{Ding} + kost hoeveel?
{Ding} thlaai punmaan?
1 000
moei poan / m'poan
1 000 000
moei lieën
10 000
moei meun
100 000
moei sain
1e
tie moei
2 keer
pie dong
2e
tie pie
3 keer
bei dong
Aangenaam
Rik rie-jij del ban tjoep (Oon / Bong)
afslaan
bot
bank
toniekieja
bar
bar
bebben
mieën
daar / ginds
now teenoe
dag
Thngai
dank u wel
som okhoen
dankje
okhoen
droge rijst
angkor
Echt waar?
Men tee?
een beetje
ti(k)
Een fijne dag verder Succes
Somnaang la-or
En jij?
Tjò Nè(k) (bong/oon)
ga / rijd
tauw
Ga rechtdoor
Tauw trong
Ga terug
Toj kroj
gekookte rijst
baai
geluk
somnaang
Gisteren
mesalming
Goed (kwaliteit)
La-or
Goed (smaak)
Tsj'ngen
Goeiedag
Tjoem riep soeë
Graag gedaan
Min ei tee / Ot ei tee
Groep mensen
poe(k)
groot
tom
grootmoeder
Jeij
grootvader
taah
Hallo
Soeër Sdei
Hartelijk bedankt
Okhoen Tjsreun
Heb je al gegeten?
Njam baai now?
hebben
mieën
heel / erg
Nah
heel goed
la-or nah
het (dier of ding)
vie-ah
Het gaat goed met me
(Baat / dja) Knjom sok sabaai
Het is duur
Thlaai
Het is heel duur
Thlaai na
Het is niet duur
Ot thlaai tee
hier
now tienie
hij / hem
koa(t)
Hoe gaat het?
(Oon / Bong) Sok sabaai tee?
Hoe heet jij?
(Bong/Oon) Tsjmoeh ei?
Hoe oud ben jij?
(Bong/oon) ajoe punmaan
hoeveel
punmaan
Hoeveel kost het?
Thlaai punmaan
huis / thuis
ptieja
Hun en ik
poe(k) knjom
I ben van Belgie
Knjom mau pie Protè Belgium
ik
knjom
Ik ben 50 jaar oud.
Knjom ajoe 50 Tsjnam
Ik ben van Belgie
Knjom mau pie Protè Belgium
Ik ga naar (plaats)
Knjom tauw (plaats)
Ik heb al gegeten
Knjom njam hauwie
Ik koop ....
Knjom tin ....
Ik voel me niet goed
Knjom ot sok sabaai tee
Ik wil ...
Knjom tjang ...
ja (man)
baat
ja (vrouw)
tsja
jaar
tsjnam
jij
Nè(k)
jonger persoon aanspreken (ook voor familie)
oon (srei / proh)
jullie (allemaal)
poe(k) nè(k)
kamer
bantoep
keuken
ptieja baaj
klein
tooj(t)
lekker (eten)
tsjngaain
Leuk je te kennen
Rik rie-jij del ban skol (Oon / Bong) skol = iets of iemand kennen
links
tsjweng
man / jongen
proh
markt
psaa
Mijn naam is ...
Knjom Tsjmoeë ...
morgen
(thngai) se-aaik
naam / heten
tsjmoeë
nee / niet
ot tee
niet hebben
ot mieën
nog niet
now tee
nu
elui (nie)
nul
soon
nummer
leek
ontmoeten
tjoep
oom (20 jaar ouder)
poe
oude oom / tante
om (proh / srei)
ouder persoon aanspreken (ook voor familie)
bong (srei / proh)
pot
tsjnang
prijs / duur
thlaai
rechtdoor
trong
rechts
sdam
restaurant
pootjienietaan
slapen
keeng
sorry / pardon
som toh
stop
tjob
stop daar
tjob now teenoe
Stop hier
tjob now teenie
tante (20 jaar ouder)
ming
Tot morgen
Tjoep khnier {thngai} se-aaik
Tot wederziens
tjoem riep lieë
tot ziens
lie hauwie
Van welk land ben jij?
(Bong/oon) Mau pie Protè naa?
Van welke provincie ben jij?
(Bong/oon) Mau pie Kaait naa?
vandaag
thngai nie
veel
tsjreun
vrouw / meisje
Srei
Waar ga je heen?
Bong/Oon tauw naa?
Waar is (plaats)
(plaats) nouw naa?
Waar kom je vandaan?
Mau pie naa?
Wat
Ei
Wat eet je?
Bong/Oon njam ei?
Wat koop je?
Bong/Oon tin ei?
Water
Tu(k)
WC / badkamer
Bantoep Tuk
Week
atut
Wij / ons (2-5 personen)
jeung (lang)
Wij / ons (grote groep)
poe(k) poe(k) knjom
Winkel
Haang
Zij (jongere groep)
poe(k) kee
zij (oudere groep)
poe(k) koa(t)
Zij / haar (even oud of jonger)
nie-eng
Zij / haar (ouder of respect)
koa(t)
(Baat / dja) Knjom sok sabaai
Het gaat goed met me
(Bong/oon) ajoe punmaan
Hoe oud ben jij?
(Bong/oon) Mau pie Kaait naa?
Van welke provincie ben jij?
(Bong/oon) Mau pie Protè naa?
Van welk land ben jij?
(Bong/Oon) Tsjmoeh ei?
Hoe heet jij?
(Oon / Bong) Sok sabaai tee?
Hoe gaat het?
(plaats) nouw naa?
Waar is (plaats)
(thngai) se-aaik
morgen
{Ding} thlaai punmaan?
{Ding} + kost hoeveel?
angkor
droge rijst
Atut
Week
baai
gekookte rijst
baat
ja (man)
bantoep
kamer
Bantoep Tuk
WC / badkamer
bar
bar
bei
bei dong
3 keer
bong (srei / proh)
ouder persoon aanspreken (ook voor familie)
Bong/Oon njam ei?
Wat eet je?
Bong/Oon tauw naa?
Waar ga je heen?
Bong/Oon tin ei?
Wat koop je?
boeen
bot
afslaan
dap
dap bei
dap moei
dap pie
Ei
Wat
elui (nie)
nu
Haang
Winkel
haasap
hoksap
Jeij
grootmoeder
kauwsap
keeng
slapen
knjom
ik
Knjom ajoe 50 Tsjnam
Ik ben 50 jaar oud.
Knjom mau pie Protè Belgium
I ben van Belgie
Knjom mau pie Protè Belgium
Ik ben van Belgie
Knjom njam hauwie
Ik heb al gegeten
Knjom ot sok sabaai tee
Ik voel me niet goed
Knjom tauw (plaats)
Ik ga naar (plaats)
Knjom tin ....
Ik koop ....
Knjom tjang ...
Ik wil ...
Knjom Tsjmoeë ...
Mijn naam is ...
koa(t)
hij / hem
koa(t)
Zij / haar (ouder of respect)
La-or
Goed (kwaliteit)
la-or nah
heel goed
leek
nummer
lie hauwie
tot ziens
Mau pie naa?
Waar kom je vandaan?
Men tee?
Echt waar?
moei meun
10 000
mepeei
mepeei moei
mesalming
Gisteren
mieën
bebben
mieën
hebben
Min ei tee / Ot ei tee
Graag gedaan
ming
tante (20 jaar ouder)
moei
moei lieën
1 000 000
moei poan / m'poan
1 000
moei roi / m'roi
moei sain
100 000
Nah
heel / erg
Nè(k)
jij
Nie-eng
Zij / haar (even oud of jonger)
Njam baai now?
Heb je al gegeten?
now tee
nog niet
now tienie
hier
now teenoe
daar / ginds
okhoen
dankje
Okhoen Tjsreun
Hartelijk bedankt
om (proh / srei)
oude oom / tante
oon (srei / proh)
jonger persoon aanspreken (ook voor familie)
ot mieën
niet hebben
ot tee
nee / niet
Ot thlaai tee
Het is niet duur
petsap
pie
pie dong
2 keer
poe
oom (20 jaar ouder)
poe(k)
Groep mensen
poe(k) poe(k) knjom
Wij / ons (grote groep)
poe(k) kee
Zij (jongere groep)
poe(k) knjom
Hun en ik
poe(k) koa(t)
zij (oudere groep)
poe(k) nè(k)
jullie (allemaal)
pootjienietaan
restaurant
pram
pram bei
pram boeen
pram moei
prampie/ prampul
proh
man / jongen
psaa
markt
ptieja
huis / thuis
ptieja baaj
keuken
punmaan
hoeveel
Rik rie-jij del ban skol (Oon / Bong) skol = iets of iemand kennen
Leuk je te kennen
Rik rie-jij del ban tjoep (Oon / Bong)
Aangenaam
saaisap
saamsap
sdam
rechts
Soeër Sdei
Hallo
som okhoen
dank u wel
som toh
sorry / pardon
somnaang
geluk
Somnaang la-or
Een fijne dag verder Succes
soon
nul
Srei
vrouw / meisje
taah
grootvader
tauw
ga / rijd
Tauw trong
Ga rechtdoor
Thlaai
Het is duur
thlaai
prijs / duur
Thlaai na
Het is heel duur
Thlaai punmaan
Hoeveel kost het?
Thngai
dag
thngai nie
vandaag
ti(k)
een beetje
tie moei
1e
tie pie
2e
Tjò Nè(k) (bong/oon)
En jij?
tjob
stop
tjob now teenie
Stop hier
tjob now teenoe
stop daar
tjoem riep lieë
Tot wederziens
Tjoem riep soeë
Goeiedag
tjoep
ontmoeten
Tjoep khnier {thngai} se-aaik
Tot morgen
Toj kroj
Ga terug
tom
groot
toniekieja
bank
tooj(t)
klein
trong
rechtdoor
Tsj'ngen
Goed (smaak)
tsja
ja (vrouw)
tsjetsap
tsjmoeë
naam / heten
tsjnam
jaar
tsjnang
pot
tsjngaain
lekker (eten)
tsjreun
veel
tsjweng
links
tu(k)
Water
vie-ah
het (dier of ding)
jeung (lang)
Wij / ons (2-5 personen)
auto
laan
autorijden
bouk laan
avondeten
aha peel joeb
Ben je zeker?
put tee
bereid voedsel
ahaa
bestellen
kommong
biljart / pool
bopijaa
boek
siewpuiw
broek
kow
brommer
moto
buik
poehe
Cambodja
Campoetjieë
dat
noe
dichtbij
(now) tji(t)
dit
nie
felle regen
plieëng klang
fiets
kong
fruit
plaaitjeu
ga terug
toj krauw
gaan naar ...
tauw ...
gemakkelijk
(nieja) sroel
goedkoper maken
djo thlai
groenten
bon laai
guesthouse
ptiea somna
haren
so(k)
Heb je al gegeten?
njam baai ru now?
Het is in orde
Mun ei tee
hetzelfde
doiknieë
hoofd
kbaal
hospitaal
montipe(t)
hotel
sontakieë
iets oppakken
jok
Ik heb al gegeten.
knjom njam hui
Ik voel me fit
knjom sroel kloen
Ik voel me niet fit
knjom ot sroel kloen
in / aan
now
is / ben / zijn
keu
kantoorbenodigdheden
bonnakië
keel / nek
koh
klant
pnjiew
kleren
kow aw
knippen
kat
koud
trotje(t)
laat ons gaan
to tauw
Laten we gaan eten
to njam
les
meerieën
leuk vinden
tsjoi(l) tje(t)
leven / blijven
nuiw
lunch
aha peel tngai
met
djieëmoei
moeilijk
piebaa(k)
motregen
plieng tik
nationaliteit
tjoentjieët
nemen (tuktuk of bus of ...)
dzjie
nog niet
now tee
nu
eilui nie
omdat
(pie)proeh
onbereid voedsel
mohob
ontbijt
aha peel pru(k)
ontmoeten
tjoeëb
ook
daei
openen / aanzetten
bouk
oud
tsjà
park
soeën
pijn / ziek
tjeu
pikant
hul
provinciaal
kaait
reeds / al
nauwie
regen
plieëng
rennen
rot
richting(en)
teudauw
rondwandelen / op vakantie gaan
daa(l) leeng
samen
knier
shirt
aw
sluiten / uitzetten
but
spelen
leeng
stroef / strak
tung
studeren / leren
rieën
taal
pieësaa
tas
kaboob
telefoon
toeresap
training
hatpran
van (bezittelijk)
roboh
van mij / mijn
roboh knjom
vandaag
tjnai nie
ver(af)
(now) tjngaai
vol (de fles is vol)
penj
voldaan
tsja-aait
vriend
mutpè / poemaa
Waar is .....
nouw naa
Waar?
now na
wandelen
daa(l)
warm / heet
kdaw
Wat is er aan de hand?
Kuit ei
wat nog? / wat meer?
ei tieët
werken
tweuka
wie / van wie
nè(k) naa
willen
tsjong baan
zwemmen
heil tu(k)
(nieja) sroel
gemakkelijk
(now) tjit
dichtbij
(now) tjngaai
ver(af)
(pie)proeh
omdat
aha peel joeb
avondeten
aha peel pru(k)
ontbijt
aha peel tngai
lunch
ahaa
bereid voedsel
aw
shirt
bon laai
groenten
bonnakië
kantoorbenodigdheden
bopijaa
biljart / pool
bouk
openen / aanzetten
bouk laan
autorijden
but
sluiten / uitzetten
Campoetjieë
Cambodja
daa(l)
wandelen
daa(l) leeng
rondwandelen / op vakantie gaan
daei
ook
djieëmoei
met
djo thlai
goedkoper maken
doiknieë
hetzelfde
dzjie
nemen (tuktuk of bus of ...)
ei tieët
wat nog? / wat meer?
eilui nie
nu
hatpran
training
heil tu(k)
zwemmen
hul
pikant
jok
iets oppakken
kaait
provinciaal
kaboob
tas
kat
knippen
kbaal
hoofd
kdaw
warm / heet
keu
is / ben / zijn
knier
samen
knjom njam hui
Ik heb al gegeten.
knjom ot sroel kloen
Ik voel me niet fit
knjom sroel kloen
Ik voel me fit
koh
keel / nek
kommong
bestellen
kong
fiets
kow
broek
kow aw
kleren
Kuit ei
Wat is er aan de hand?
laan
auto
leeng
spelen
meerieën
les
mohob
onbereid voedsel
montipe(t)
hospitaal
moto
brommer
Mun ei tee
Het is in orde
mutpè / poemaa
vriend
nauwie
reeds / al
nè(k) naa
wie / van wie
nie
dit
njam baai ru now?
Heb je al gegeten?
noe
dat
nouw naa
Waar is .....
now
in / aan
now na
Waar?
now tee
nog niet
nuiw
leven / blijven
penj
vol (de fles is vol)
piebaa(k)
moeilijk
pieësaa
taal
plaaitjeu
fruit
plieëng
regen
plieëng klang
felle regen
plieng tik
motregen
pnjiew
klant
poehe
buik
ptiea somna
guesthouse
put tee
Ben je zeker?
rieën
studeren / leren
roboh
van (bezittelijk)
roboh knjom
van mij / mijn
rot
rennen
siewpuiw
boek
so(k)
haren
soeën
park
sontakieë
hotel
tauw ...
gaan naar ...
teudauw
richting(en)
tjeu
pijn / ziek
tjnai nie
vandaag
tjoeëb
ontmoeten
tjoentjieët
nationaliteit
to njam
Laten we gaan eten
to tauw
laat ons gaan
toeresap
telefoon
toj krauw
ga terug
trotje(t)
koud
tsjà
oud
tsja-aait
voldaan
tsjoi(l) tje(t)
leuk vinden
tsjong baan
willen
tung
stroef / strak
tweuka
werken

Study Now!

Turn your Google Sheets into flashcards and study now!

Mobile Apps

Review your study material on the go!

Get it on Google Play
Download on the App Store

Extensions

Learn as you browse the web and study decks directly in Google Sheets.